Latemse periode

Door toedoen van de illustere operazanger Hendrik Caspeele kon Crombé in 1968 een oude boerderij huren te Sint-Martens-Latem. De aanvang van een avontuurlijk kunstenaarsbestaan. Zijn kunstenaarsnaam doopt hij tot Luc-Peter Crombé.

Zijn aankomst te Sint-Martens-Latem is een geschiedenis op zichzelf. De oude boerderij kon immers niet zomaar worden betrokken. Eerst dienden de duiven naar een ander hok te worden overgebracht, ook de kippen en ander pluimvee dienden het huis uit. Van een kippenhok een woonhuis maken! Een dertigtal vrienden boden zich spontaan aan om de karwei op te knappen. Maar hoe gaat dat. Hoe meer zielen hoe meer vreugde... en van werken kwam er niets in huis. Na maanden plezier werd het toch een woonhuis. Veel volk liep er in en uit en weldra wist men in de gemeente Sint-Martens-Latem dat een nieuwe artiest was aangekomen. Kunstschilder Miel De Cauter, de uitbater van café 'de Klokkeput' meende dat bij de inburgering van Crombé in het plaatselijk kunstenaarsgilde een feest diende georganiseerd te worden. Het feest had 's anderendaags al plaats bij de buur kunstschilder Joe Van Rossem. Er werd tot in de morgen gegeten en gedronken, gemusiceerd, toneel gespeeld, circusnummers opgevoerd. Het verhaal doet de ronde dat Joe Van Rossem reeds om 13.00 uur vol belangstelling aan het bed van Crombé stond informerend zo hij dat gefuif wel te boven was gekomen. Men kon gerust zijn: sterven was niet voor toen. Crombé is steeds bevriend gebleven met Van Rossem. Joe had een verzameling van enkele honderden uurwerken, maar durfde het toch aan Crombé midden in de nacht uit bed te halen en te vragen hoe laat het nu wel zou kunnen zijn. Op korte tijd was Crombé ingeburgerd. De kunstenaars waaronder Fons Roggeman, Chris Pots en Joe Van Rossem accepteerden hem gemakkelijk, maar sommige buren vonden dat hij wel wat zou mogen inbinden. Bij al die belevenissen was hij wel enigszins verbaasd over zichzelf. Vooral gezien hij eerder gewoon was teruggetrokken te leven en zijn vermaak te vinden in zijn werken. Toch deden deze dagen hem meer dan deugd.

In Latem was het duidelijk een nieuwe aanpak. Die vertaalt zich ook zichtbaar in zijn eerste Latemse periode waar het levend model centraal staat. Hij schilderde totaal anders. Vloeiende bewegingen, kleurrijke en zeer rijpe composities. In 1969 veroverde Luc-Peter Crombé een totaal nieuwe stijl. Men kan zeggen dat de ommekeer vrij vlug heeft plaatsgevonden. Niet verwonderlijk, want als schilder was hij "rijp". Hij kon teren op jarenlange ambachtelijke ervaring en evolueerde naar een meer lichamelijke kunst toe. Was zijn werk vroeger wat te gevoelig, nu is het haast tastbaar en zintuiglijk. Crombé begint nog enkel naakten en portretten te schilderen en te tekenen. De eerste Latemse periode wordt dan ook beheerst door opnieuw het motief  'vrouw' in oneindige vormvariaties.

In 1970 huwde hij met de moeder van zijn twee kinderen. De oude hoeve te Sint-Martens-Latem werd ingeruild voor een nieuwe woning met zijn gezin, eveneens te Sint-Martens-Latem (Deurle). Hij bouwde zijn atelier, genaamd de Peterstede, uit tot een vrije academie. Luc-Peter Crombé raakte gefascineerd door het theaterleven en de dansbewegingen. Het accent in zijn kunst veranderde naar soepele bewegingselementen, kenmerkend voor zijn tweede Latemse periode. Beweging die hij terugvindt bij de bokser, de atleet, de danser. Vrijheid door beheersing. Zo begon hij danseressen als model te verkiezen en kwam daardoor in contact met het Ballet van Vlaanderen, waar hij goed bevriend werd met J. Brabants.

Maar stilaan begon Crombé zich terug te trekken uit het liederlijke leven en sloot zich af van de buitenwereld. Hij gooide elk engagement van sociale of politieke bewegingen overboord. Hij verdiepte zich in meer intellectueel geladen onderwerpen en streefde naar perfectie in zijn kunst. Een zwakke gezondheid ondermijnt jarenlang zijn mogelijkheden. Toch stond hij telkens weer in zijn atelier tussen canvas, tekeningen, schetsen en studies. Nieuwe ideeën ontstaan en rijpen, andere technieken neemt hij ter studie. Zo creëert hij in zijn derde Latemse periode 'suites' waaraan hij dag en nacht als een bezetene werkte. Hij zag het menselijk bestaan als toeschouwer, maar bleef zich tevens bewust dat hij er deel van uitmaakte. Wat hij schilderde is zowel het resultaat van objectieve waarneming als van subjectieve betrokkenheid. Hij spot, is ironisch, teder, relativeert, is soms sarcastisch tot de rand van het pornografische. In zijn Lutander-suite accentueert hij de emancipatie van de vrouw. In zijn volgende suites grijpt hij terug naar religieuze thema’s en benoemt ze ook alsdusdanig: ‘Bijbelsuite’ , ‘Thora-suite’, ‘Job-suite’,… Het zijn persoonlijk interpretaties die niet altijd even toegankelijk zijn voor een buitenstaander.

In de jaren ’90 wordt Luc-Peter Crombé getroffen door kanker. Het wordt een lijdensweg die hij overwint. De bezetene kunstenaar van weleer verandert in een rustiger mens. Hij geniet van de eenvoudige en mooie aspecten van het leven. Hij schrijft met een bloem, met een blad, met een bos en overgiet dit alles met de roes van het leven, de kleur en de zang, met de ritme van het heelal. In zijn laatste periode schildert hij terug de vrouw, de dans en de bewegingen. Hij gebruikt het figuratieve om de abstracte elementen te breken maar tevens gebruikt hij het abstracte om het figuratieve te breken.

In het najaar van 2004 blijkt de kanker te recidiveren. In zijn laatste Peterstede Koerier (winter-2004) schreef hij zijn afscheid :

"...Na een vruchtbaar atelier uitbouwen en een zeer aangename vriendenkring, naderen we het jaar 2005. Vrienden kwamen en gingen, soms te vroeg uit onze kring, maar we blijven U allen dankbaar voor de band die gij zelf rond de Peterstede hebt doen ontstaan. Nu de krachten beginnen te verzwakken en we de vriendenband op een andere manier zullen moeten beleven, hebben we besloten de "Peterstede-aktiviteiten" te stoppen en alleen de souvenier in leven te houden."

In zijn Peterstede is hij kunstenaar gebleven tot zijn laatste dag, 17 mei 2005.

Site powered by CoMaSer