Het Kloosterleven

Voor een opgeschoten knaap leek het avontuurlijk om met de trein naar Oostakker nabij Gent te tuffen, maar het kleine stationnetje was toch vreemd. De platanendreef was anders dan de dreven van Droeshout. Het was dan ook met kloppend hart dat Petrus door de ontzaggelijke poort van het pensionaat binnen stapte. Was er nog een weg terug? Het leek niet op Droeshout, niet op Merchtem en niet op Puurs...  Het rook er naar broeders, een specifieke geur van kloostergangen en naar een vaag vermoeden van heiligheid. Het is opnieuw wennen aan het pensionaatleven. Voor Petrus Crombé, die uit een "warm" nest kwam, was het geen prettige ervaring. Wie nimmer op kostschool is geweest en de pijn van het thuis-weg-zijn heeft ervaren, kan die gevoelens niet begrijpen.

Hij volgde er de normaalschool. Na deze studie schreef hij zich als vrije student aan het Sint-Lucas in Gent. Daar geraakte hij bevriend met de toenmalige directeur en met leraar G. Hermans. Hij ging er in de leer in de ateliers van achtereenvolgens G. Hermans, Jos verdegem en Constant Permeke.

Het kloosterleven beviel hem eigenlijk wel, vooral omdat hij er kon studeren, tekenen en schilderen. Hij werd aangesteld tot leraar in de humaniora en combineerde dit met verdere studies aan het Hoger Instituut te Antwerpen (1947) en volgde cursus restauratie en oudheidkunde aan de Ecole du Louvre te Parijs (1950). In parijs kwam hij in contact met de directeur van 'Het Werk der Vlamingen' te Parijs en kreeg een uitnodiging om er te werken. Hij profiteerde van het aanbod. Hij schilderde op de Place du Tertre, werkte in de academie, schilderde in het Louvre, waar hij bevriend werd met Prof. Serulas.

Het was een periode waarin Crombé naar aanleiding van verscheidene prijzen zijn vakkennis in het buitenland kon verdiepen. Deze prijzen lieten hem toe om studiereizen te maken. Zo leerde hij het Zuiden kennen, ging op in het gevoel van andere luchten en werd geconfronteerd met andere leefgewoonten. Hij kreeg dan ook een ander penseel in de hand. Crombé’s werk evolueerde naar de warmere tonaliteit en naar sterke contrasten. De compositie werd opgebouwd in een streng evenwicht tussen licht en donker. Later werd daar een lineair accent aan toegevoegd. Deze tijdspanne van 1956 tot 1958 wordt dan ook zijn 'Italië-Marokko-Spanje periode' genoemd.

Het contact met Italië bracht hem in verwarring. Hij zag er teveel en was er niet op voorbereid. Het was niet te slikken en Crombé diende terug te keren om afstand te nemen. Het overweldigende groeide naar bezinning.

Terug in het klooster (1959) schiep het rumoer van de leerlingen, vermengd met de stilte van de kloostergangen en het gebed een gevoel van veiligheid en geborgenheid. Het inademen van het vertrouwde vloeide over naar het religieus werk, met name de muurschilderingen, het Maria leven en de kruisweg. De Maria-cyclus ontstond uit een drang tot idealisering, met een gedeeltelijk negeren van de realiteit. Zijn die schilderijen gegroeid uit het zich vastklampen aan een droom? Zijn zij het resultaat van oprechte devotie? Of hebben zij aan beide emoties evenveel te danken : een spiritualistisch idealisme. Het is wellicht een opgaan in het spel van de eeuwige strijd tussen het kwade en het goede, waarin het natuurlijke en het bovennatuurlijke samengaat in de éne werkelijkheid.

In de Maria-Cyclus wordt een strijd gestreden, een strijd van de geesten. Voor zijn Maria-cyclus zocht hij de ideale vrouw, de geïdealiseerde vrouw. De vrouw diende als model en werd uitgedrukt, gezocht en ontleed. In deze periode ontstonden moeilijkheden met zijn overste en medebroeders omwille van zijn kunstenaarsleven. Had hij vroeger een bepaalde vrijheid in de keuze van zijn onderwerpen en in het uitwerken ervan, deze werden hem nu ontnomen. Zijn contactname met vrouwen deed de spanning uiteraard nog toenemen. Er ontstond een heroïsch gevecht met zichzelf. Enorm interessant, uiterst boeiend voor de toeschouwer, uiterst pijnlijk evenwel voor hemzelf.

Wanneer in 1965 zijn eerste kind wordt verwacht, schildert hij 'de boodschap'. De Maria-cyclus gaat over in het thema van moeder en kind. De vraag wie voor zijn kind zal zorgen wordt beklemmend. Een opeenstapeling van vragen zonder antwoord. Een berg van twijfels, de pijn om op het punt te staan veel te winnen en toch veel te verliezen. Problemen en tegenkantingen. Vertwijfeling en angst. Komt er verbittering? Een aanvaarden? Onmacht. Het moeten ondergaan wat onbewust werd voorbereid : zijn kruisweg. Als laatste thema van de Maria-cyclus heeft hij de kruisweg geschilderd. Zijn kruisweg. Het werk verbindt twee periodes die uiteenlopend zijn. In 1966 schilderde hij zijn Corsicaanse suite of Corsica-periode genoemd. We mogen terecht van een omwenteling spreken. Zijn reis naar Corsica gaf de mogelijkheid in de natuur dingen te ontdekken. Het gaf de mogelijkheid één te worden met die natuur van verweerde rotsen. Corsica had iets nieuws doen groeien.

Na de Corsica-periode was Crombé een uitgeput man. Zijn tweede kind wordt geboren in 1967. De strijd tegen zichzelf en tegen zijn omgeving was te zwaar, te ontgoochelend geweest. Bijna vijftig jaar geworden had hij de klok op nul gezet, het spel op alles of niets gespeeld. Zomaar van de ene dag op de andere stond hij nergens, zonder plannen. Crombé werd ziek. Een heelkundig ingrijpen gaf niet het verhoopte resultaat. Het werd een slepende ziekte. Zijn kloosterleven werd afgesloten. Hij trok zich dan ook terug en legde palet en penseel terzijde. Dit is dan ook een heel bijzondere periode in zijn leven. Het werd een periode waarin hij geen enkel werk afleverde. Zowel als mens én als kunstenaar brak hij volkomen met het verleden. Door o.a. de steun van zijn twee broers voelde hij zich na enkele jaren voldoende gesterkt. Hij verhuisde in 1967 naar een huisje te Petegem-Deinze en in 1968 naar Sint-Martens-Latem. Een nieuwe periode diende zich aan.


 
Site powered by CoMaSer